5.4 SAMENVATTING

 

Voorafgaand aan de vlucht

Vluchtvoorbereiding

Het is belangrijk om voorafgaand aan een vlucht een goede vluchtvoorbereiding uit te voeren. Gedurende de vluchtvoorbereiding dien je de volgende punten in ogenschouw te nemen:

  • Classificatie van het luchtruim;
  • Locatie op de luchtvaartkaart;
  • Bebouwing en/of recreatiegebieden;
  • Kans op aanwezigheid niet-betrokken personen;
  • Weersomstandigheden;
  • NOTAM (Notice of Airmen);
  • Verkennen van alternatieve landingsplaatsen;
  • Ondergrond van de basislandingsplaats.

 

NOTAM

Een bericht met cruciale informatie over vliegveld en/of luchtruim, welke is van tijdelijke geldigheid of nog niet verwerkt in de laatste luchtvaartkaart.

Weersomstandigheden

Naast het in acht nemen van de omgeving waarin je vliegt, moet je als piloot ook goed op de hoogte zijn van de potentiële invloeden van het weer op het onbemande luchtvaartuig tijdens een vlucht.

Weersvoorspellingen verkrijgen

In de handleiding van het onbemande luchtvaartuig staan alle limieten voor onder andere wind, temperatuur en regen beschreven.

Aan de hand van een recent Meteorological Aerodrome Report (METAR) of een Terminal Aerodrome Forecast (TAF) kun je als piloot bepalen of er kan worden gevlogen.

De METAR en TAF bevatten onder meer gegevens over:

  • Het gebied en de tijdsduur van het weerbericht;
  • Windrichting en -kracht op verschillende hoogtes;
  • Hoogte van de bewolking en verticaal zicht;
  • Neerslag;
  • Temperatuur.

 

Het onbemande luchtvaartuig controleren

Als piloot dien je het onbemande luchtvaartuig waarmee je gaat vliegen vooraf grondig te controleren.

In de zogeheten pre-flight checks controleer je op schade, batterijspanning, balans, payload, GNSS-signaal. Deze vind je in de gebruikshandleiding van het onbemande luchtvaartuig.

Als er schade aan het onbemande luchtvaartuig is of andere zaken niet correct zijn, besluit dan niet te vliegen.

Vluchtuitvoering

Na alle checks van zowel bemanning als onbemand luchtvaartuig, opstijg- en landingsplek kan het onbemande luchtvaartuig opstarten. Hierna dienen nog de flight controle checks gedaan te worden, ter controle van de juiste werking van de drone en radiocontroller. Daarna kan de vlucht veilig en gecontroleerd plaatsvinden.

Het kan voorkomen dat je als piloot te maken krijgt met een noodsituatie. Er kan bijvoorbeeld ander luchtverkeer of een groep vogels aankomen. Tijdens zo’n noodsituatie is het eerste advies altijd om het onbemande luchtvaartuig te laten dalen om ongelukken te voorkomen.

Na de vlucht

  • Eventueel vlucht afmelden bij instanties die van tevoren op de hoogte zijn gesteld;
  • Post-flight checks;
  • Analyse van de eventuele opgehaalde gegevens;
  • Invullen van de logboeken van zowel het onbemande luchtvaartuig als de piloot.

 

Luchtdruk invloed op Trust van propellors

Magnetisme (invloed op navigatie)

Weer (Actuele weer)

Altijd dalen bij gevaar

RTH-modus in te stellen op minimaal 5 tot 10 meter boven het hoogste obstakel in de buurt.